In Nederland leven ieder jaar ruim 20 miljoen
varkens. In de vee-industrie draait alles om
efficiency en zo goedkoop mogelijk produceren.
Het varken is hiervan de dupe en wordt door o.a. 
ingrepen als staart knippen en castratie aangepast
aan de huisvesting en de wensen van de markt. 
Tegen dit trieste lot komt Varkens in Nood in actie.  
De Stichting > Opinie

Hoe denkt Varkens in Nood over...


Ingezonden brieven...

Lees hier ook de columns van Karen…

Varkensflats

Onder dierenbeschermers bestaat altijd de strijd tussen ideaal en haalbaarheid. Ideaal is dat kippen en varkens in het bos leven en daar naar hun aard en natuur in vrede kunnen leven. Maar ja, er zijn te veel mestvarkens en vleeskippen en te weinig bos. Een natuurlijk leven voor productiedieren lijkt dus een utopie. Aan de andere kant; zou de mens niet gewoon véél minder vlees moeten eten en gewoon als stelregel aanhouden dat ook de productiedieren een fatsoenlijk leven moeten hebben?

Simpel gezegd: hoe meer de mens bereid is op te schuiven, hoe meer ruimte er is voor de dieren en andersom. En als de (westerse) mens iets van zijn welvaart aan de dieren overdraagt en minder zou consumeren, ook dan is die ideale situatie misschien haalbaar.

Maar het is een glijdende schaal. Van batterijkip naar scharrelkip is, op de keper beschouwd, maar een kleine stap voorwaarts en nog ver van het ideaal af. Moeten we die stap daarom afwijzen? Door de Dierenbescherming is een varkensstal ontwikkeld - de zogenaamde ComfortClass die zo veel mogelijk uitgaat van de natuurlijke behoeften van varkens - maar helaas toch wel heel ver afstaat van het varken in het bos of zelfs in het weiland. Moeten we deze stappen, die voor miljoenen dieren heel belangrijk zijn en het verschil uit kunnen maken tussen een ondraaglijk leven en een slecht of matig leven, moeten we die stappen aanmoedigen of juist afwijzen?
Om het anders te zeggen: mestvarkens in de vee-industrie scoren op een schaal van 1 tot 10, op zijn hoogst een 2. In de ComfortClass is dit misschien een 4,5. Hetzelfde geldt voor de scharrelkip; die scharrelt maar dan wel met tienduizenden tegelijk in een enorme stal, vol stof, overvol en nooit buiten. Wat eerst een 1,5 was, is misschien nu een 2,5.

De keuze om in te stemmen met dit soort kleine stappen is dan ook een dilemma. En instemmen met varkensflats of beter gezegd, er niet tegen zijn, moet dan ook in het licht van het voorgaande bekeken worden. Zijn wij ook tegen varkensflats als de varkens 1,5 of 2 keer of zelfs 3 keer zoveel ruimte hebben? Of als ze wel stro hebben, als staarten en tandjes niet gecoupeerd worden, als er afleidingsmateriaal is en ruimte voor het bouwen van een nest en een separate ruimte om de mest kwijt te raken? Tja, dan misschien niet. Het gaat derhalve om een afweging en op voorhand al nee zeggen tegen varkensflats laat goede mogelijkheden om het leven van varkens te verbeteren misschien liggen. Vandaar dat Varkens in Nood heeft gezegd: wij zijn op voorhand niet tegen varkensflats.

Wanneer zouden wij bijvoorbeeld niet tegen varkensflats zijn?

• Het moet wel iets oplossen; als er in Amsterdam 300.000 varkens bijkomen, dan moeten die elders, uit slechtere stallen, verdwijnen.
• De varkens moeten er qua dierenwelzijn aanzienlijk op vooruit gaan; de ComfortClass van de Dierenbescherming is een goed uitgangspunt.
• De varkensflat moet toegankelijk zijn voor het publiek (desnoods vanachter ramen); het is belangrijk dat de stadsbewoner zich realiseert hoe zijn karbonaadje opgroeit.
• Veevoer dient niet afkomstig te zijn van genetisch gemodificeerde soja en van gebieden die tot voor kort oerwoud waren.

Indien bovenstaande zaken zouden worden uitgevoerd, dan is Varkens in Nood niet tegen varkensflats. We zijn ook niet vóór varkensflats. We zijn alleen voor varkens die vrij in de natuur kunnen leven, in het bos of anderszins een fatsoenlijk leven hebben (zie de Universele Verklaring voor de Rechten van het Productiedier op deze website). Dat is wel het minste dat wij productiedieren moeten bieden in ruil voor hun leven.
De voordelen van varkensflats ten opzichte van 98% van de bestaande stallen zijn – als onze eisen worden uitgevoerd - dan de volgende:

• Beter dierenwelzijn
• Minder transporten en stabiele groepen
• Minder milieuvervuiling in Nederland
• Minder aantasting van het milieu in de derde wereld
• Bewustwording bij de stadsmens op de idiote grootschaligheid van de vee-industrie
• Linkse steden als Amsterdam, Rotterdam en Zaandam bieden betere garanties voor het dierenwelzijn dan in CDA streken als de Achterhoek en de Peel

Castratie

Een tragische gebeurtenis in het leven van mannelijk biggetjes (beertjes) is de castratie. Om aan de wensen van de markt tegemoet te komen worden jaarlijks ruim 10 miljoen Nederlandse biggen gecastreerd. Zonder castratie kan bij ongeveer 1% van het vlees berengeur kan optreden, wat maakt dat het vlees stinkt wanneer men het bakt. Vanaf 1 januari 2009 worden biggen verdoofd gecastreerd. Het verdoven met CO2 is stressvol en de napijn wordt niet met pijnstillers bestreden.
Verdoofde castratie is volgens wetenschappelijk onderzoek wel iets beter dan onverdoofd castreren, dus het is een klein stapje vooruit. Echter, nadat de verdoving is uitgewerkt is er vaak aanzienlijke napijn, die wel een week kan duren. De verdoving bij de ingreep zelf zou dan ook gevolgd moeten worden door een week lang pijnstilers aan de biggetjes te geven, maar dit gebeurt zelden of nooit en zal ook niet gebeuren als deze nazorg niet verplicht wordt gesteld. Alles bij elkaar is (verdoofde) castratie ingewikkeld én alleen bedoeld de verwende varkensvleeskopende consument van dienst te zijn.
Varkens in Nood is echter van mening dat het castreren helemaal afgeschaft moet worden en dat de consument de berengeur, die bij een gering aantal van de varkens optreedt, maar voor lief moet nemen. De meeste mensen verdedigen hun vleesconsumptie immers door te stellen dat de mens nu eenmaal een omnivoor is en dat het natuurlijk is om vlees te eten. Dan moet die consument die natuur, met berengeur en al, dan ook maar accepteren. Varkens op pijnlijke wijze aanpassen aan de wensen van de markt en de consument is onrechtvaardig en dus onethisch en bovendien onnatuurlijk.

Inmiddels is uit recent wetenschappelijk onderzoek gebleken dat de castratie van biggen ook nog eens vrij onzinnig is: de Universiteit Wageningen heeft aangetoond dat berengeur veel minder vaak voor komt dan eerder werd aangenomen en dat de consument eigenlijk helemaal niet zo gevoelig is voor berengeur. Daarbij zijn er inmiddels alternatieve methoden om vlees met berengeur uit de schappen van de supermarkt te weren: aan de slachtlijn wordt eenvoudigweg een geurtest gedaan om te bepalen of er 'stinkers' bij zitten. Met deze argumenten heeft Varkens in Nood een aantal supermarkten weten te overtuigen vlees van ongecastreerde varkens in te kopen.
Meer informatie over biggencastratie...


Rol van de supermarkten

De Nederlandse supermarkten zijn al jaren verwikkeld in een harde concurrentiestrijd. De laatste prijzenoorlog woedt in feite nog steeds door. Het prijsstunten vindt vooral plaats in het assortiment met verse producten, waarbij de vleesaanbiedingen een prominente plaats krijgen in de winkelfolders. Supermarkten positioneren zich trots als “De Vleeschmeesters”, als “De grootste slager van Nederland” of met hun “Februari Vleesmaand”. Kiloknallers en prijsacties zijn een overbekend fenomeen, maar spelen zich af over de rug van de productiedieren.

 

De reclameacties voor vlees zijn een middel voor supermarkten om klanten te trekken, die vervolgens ook andere producten kopen. De prijskortingen leiden echter tot een enorme prijsdruk in de vleesketen. De inkomsten van de boer staan onder druk en daarmee ook het welzijn van zijn productiedieren.

De prijsverschillen tussen regulier vlees en diervriendelijk vlees zijn groot. Maar die verschillen worden kunstmatig groter gemaakt door de supermarkten die vlees tegen bodemprijzen aanbieden. Tegelijkertijd is de marge op biologische producten groot en daarmee het prijsverschil tussen gangbaar en biologisch enorm. Door de vele prijsacties met vlees uit de bio-industrie raakt de consument niet alleen gewend aan de zeer lage vleesprijzen, maar wordt zij ook verleid tot het aankopen van vlees uit de bio-industrie.

Rol van de consument

Varkens in Nood gelooft dat de consument de sleutel is tot beter dierenwelzijn. In het huidige systeem van vleesproductie bepaald de consument immers de vraag en zorgt de vleesindustrie voor het aanbod. Om mensen ervan te overtuigen niet langer vlees uit de intensieve veehouderij te kopen, moeten zij geïnformeerd worden over de schade die de intensieve veehouderij aan de dieren en het milieu toebrengt. We willen mensen bovendien op alternatieven wijzen. Een doel van onze campagnes is dan ook consumenten bewust maken van de situatie in de intensieve varkenshouderij, zodat men wat vaker kiest voor een maaltijd zonder of met biologisch vlees.





Stop prijsstunten met vlees!

Ingezonden brief - Agrarisch Dagblad - 19 juni 2007

Afgelopen zaterdag kopte het Agrarisch Dagblad ‘Supermarkten starten nieuwe prijzenslag vlees’. Onlangs heeft Stichting Varkens in Nood supermarkten juist opgeroepen om te stoppen met het prijsstunten met vlees uit de bio-industrie. Omdat de schadelijke gevolgen van overmatige vleesconsumptie voor mens, dier en milieu in onze optiek geen promotie verdienen.

Meer dan ooit tevoren staat de achterliggende problematiek van de vleesindustrie in de belangstelling; regenwoud dat massaal gekapt wordt voor het verbouwen van veevoer, de scheve verdeling van voedselbronnen in de wereld, de treurige leefomstandigheden van de dieren in de bio-industrie en de CO2 uitstoot die bijdraagt aan de klimaatsverandering. En desondanks besluiten de supermarkten om overmatige vleesconsumptie te promoten door het voor bodemprijzen aan te bieden.

Supermarkten geven allemaal dezelfde reden op voor het stunten met vlees: hun concurrentiepositie. Hoog tijd om onderling te besluiten hier een eind aan te maken. Vlees behoort een luxeproduct te zijn en geen wegwerpartikel. Voor vlees behoort een behoorlijk bedrag aan de boer betaald te worden, zodat deze de financiële ruimte krijgt om het dierenwelzijn te verbeteren en milieumaatregelen te nemen. Nu houden de supermarkten elkaar, de boeren en de dieren in een wurggreep. Daarom aan de retailers van Nederland de oproep: stop uw onethische gedrag, stop het gestunt met vlees!

Patricia Beekelaar
Stichting Varkens in Nood


Varkens betalen ons barbecuevlees

Ingezonden brief - Sp!ts - 1 augustus 2006


Bij de recente hitte- en barbecuegolf kan het geen kwaad ook eens stil te staan bij de dieren in de vee-industrie. Varkens zitten dicht op elkaar in propvolle stallen. Door fokprogramma's, bedoeld om de productie zo winstgevend mogelijk te maken, hebben varkens een veel te groot, misvormd lijf gekregen dat slecht bestand is tegen warmte. Het vlees is de supermarkt wordt duur betaald: door dieren wel te verstaan, niet door de consument.

Mr. Hans Baaij
St. Varkens in Nood



Helletocht

Ingezonden brief - De Telegraaf - 28 juli 2006

Het Productschap Vee en Vlees meldt dat de Nederlandse varkensboeren in de eerste helft van dit jaar 2,2 miljoen biggen aan het buitenland verkocht hebben. Dat is 12% meer dan in 2005. Bijvoorbeeld: 500.000 naar Spanje, 100.000 naar Kroatië, 200.000 naar Italië en 70.000 naar Roemenië. Wie zich de temperaturen van de afgelopen tijd voor de geest haalt en weet dat varkens heel slecht tegen warmte kunnen (ze kunnen niet zweten en krijgen boven de 16 graden Celsius al problemen), realiseert zich wat voor helletochten deze dieren in overvolle vrachtwagens ondergaan.
Als u op een terasje in het buitenland eten gaat bestellen, denk dan eens aan deze dieren.

Mr. Hans Baaij
(St. Varkens in Nood)


Ingezonden brief - Agrarisch Dagblad - 16 juni 2006

In haar artikel “Van bruikbaar tot dierbaar” zegt de nieuw benoemde hoogleraar Elsbeth Stassen dat initiatieven zoals Varkens in Zicht een bijdrage leveren aan inzicht en begrip voor de verschillende houderijsystemen bij de burger. Met die opmerking zit mevrouw Stassen er toch redelijk naast. Varkens in Zicht heeft showrooms ingericht om aan de burger te laten zien hoe varkens in Nederland gehouden worden. Dat ziet er meestal vrij idyllisch uit: enige tientallen varkens die alle ruimte hebben, over veel stro beschikken en in een groep leven. Natuurlijk weten we allemaal dat varkens die zo leven nauwelijks bestaan en dat Varkens in Zicht vooral bedoeld is om het imago van de varkensboeren te verbeteren en niet om het leven van de varkens te veraangenamen. Want achter die idyllische stal ligt vaak de harde werkelijkheid: de vee-industrie met honderden of duizenden varkens in donkere propvolle hokken, zonder stro en op kale vloeren. Dat wordt voor de burgers bij de meeste showrooms van Varkens in Zicht zorgvuldig verborgen gehouden. Dit soort eenzijdige propaganda zal - als de burger weet dat hij in de maling is genomen - als een boemerang op de sector terugslaan en het imago van de varkensboeren verder aantasten. Wees dan een moedige ondernemer, laat zien hoe de meeste varkens ècht leven en laat dan de burger oordelen. Maar speel als sector geen verstoppertje achter een geromantiseerde stal in een showroom.

Hans Baaij
Varkens in Nood


Column van Karen van Holst Pellekaan - 17 december 2007

Van een gekke cowboy en een goed voornemen voor 2008


Ik zou me nu heel kwaad kunnen maken over het Postbus 51 spotje waarin een lerares waarschuwt voor ‘gevaarlijke ideeën van dierenrechtenterroristen’ die soms in haar klas geventileerd worden. Hoe halen ze het in hun hoofd bij de overheid om activisten die opkomen voor de rechten van dieren over een kam te scheren met bommengooiers? Regelrechte angstterreur. Stel je voor, een kind in de klas verzucht dat hij een dierenbeul het liefst een stomp voor z'n hersens zou willen geven en de juf moet deze verdachte gedachtegang vervolgens meteen melden bij de AIVD? Foei! Weg met dat debiele spotje.

Of dan het omslag artikel van de Elsevier van vorige week ‘Vlees, goed voor u en de wereld’, met de meest stupide argumenten over koeien die CO2 ‘afvangen’ omdat ze mais eten of in een weiland staan waar anders niks mee gebeurt. Meer dan de helft van onze koeien staan nooit meer in een weiland en tropisch regenwoud vangt echt heel wat meer CO2 af dan een maisveldje. Bovendient koestert het een schat aan leven, dat we rücksichtlos omkappen voor onze soja monocultuur voor onze varkens (die helemaal nooit buiten komen, dus nog geen gram CO2 afvangen, maar daar heeft Annie Schrijer-Pierik, onze politieke varkensboerin het niet over).

Maar ik wilde me helemaal niet kwaad maken. Ik wil iets hoopvols schrijven voor het nieuwe jaar. Mijn vriendin had net ‘An inconvenient truth’ gezien van Al Gore. Voor mij was dat al weer oude bekend kost, maar voor haar dus nog vers. Ze was zich doodgeschrokken en had er niet van kunnen slapen. De beelden van afbrokkelende ijsbergen en overstroomde laaggelegen gebieden (Nederland in z’n geheel!) stonden op haar netvlies gebrand. Ze verzuchtte dat ze gek werd van haar eigen inconsequentie, overal spaarlampen indraaien en zoveel mogelijk biologisch eten, maar ondertussen wel minstens twee intercontinentale vluchten voor het komende jaar op het programma. Moest ze dat dan niet meer doen? Niet meer reizen? Niks meer van de wereld zien? Terwijl anderen gewoon lekker door blijven vliegen. Haar offers zouden niets meer zijn dan druppels op een gloeiende plaat. De overheid zou moeten ingrijpen, was haar idee, reizen zoveel duurder maken dat niemand het meer zou overwegen. Regels en beperkingen van bovenaf opleggen. Alleen dan verandert er pas iets.

Ik begrijp haar klacht heel goed, maar deel haar mening niet. Dingen veranderen pas echt als ze van binnen uit komen. Als mij vijf jaar geleden opgelegd was dat ik nooit meer vlees mocht eten (terwijl ik er dol op was), dan weet ik niet of ik werkelijk vegetariër was geworden. Dat ben ik nu wel. Vanuit een oprechte overtuiging. In het begin reageerde m’n omgeving nogal cynisch op m’n verandering, werd ik er regelmatig grappend en grollend over aangesproken, niet serieus genomen. Maar het deerde me niet omdat ik de stap zelf, vanuit een innerlijke overtuiging, had genomen. In de loop der jaren ging men mij vanzelf serieus nemen en deed men mij zelfs na. Mensen in m’n directe omgeving waarvan ik het nooit verwacht had, zijn nu ook vleesloos. Ik heb ze zonder dwang ‘aangestoken’.

Van de week zag ik ‘Meat the truth’, een documentaire over de impact van onze vleesconsumptie op de opwarming van de aarde. Schrikbarend groot is die, groter dan die van alle vervoer en industrie bij elkaar. Dat wist ik wel, maar voor de meeste blijkt dit nieuw. Zelfs Paul Witteman sprak er z’n verbazing over uit op televisie. Het goede van de boodschap is wel dat het mensen direct de mogelijkheid geeft om iets bij te dragen aan het milieu. Eet een paar dagen geen of minder vlees per week en spaar net zoveel broeikasgassen uit als wanneer je elke dag met de auto zou rijden. In de documentaire kwamen een hoop cijfers en percentages voor. Allemaal om je haren te bergen te laten reizen. Maar wat me werkelijk raakte was de biecht van een bejaarde Amerikaanse veeboer. Hij wordt ‘The Mad Cowboy’ genoemd en stamt uit een geslacht van veeboeren, die in massaproductie duizenden koeien en varkens ‘produceren’ en gaf toe dat hij alles gedaan had wat ‘God verboden had’. Binnen de bio-industrie, wel te verstaan. Hij had zelfs het bloed en het vlees van soortgenoten door het eten van kalveren gemalen, illegale hormonen gespoten en hij gaf toe dat de omstandigheden waaronder de dieren leefden te schandelijk voor woorden waren. Een persoonlijke gebeurtenis in z’n leven heeft hem wakker geschud en doen besluiten te stoppen met deze zieke tak van sport. Hij had de rotsvaste overtuiging dat hij moest veranderen en raakt geen dier meer aan de rest van z’n leven. De man leeft veganistisch en geeft lezingen in heel Amerika over de waanzin van de bio-industrie, het leed dat we dieren en het milieu er mee aandoen.

M’n vriendin kon ik geruststellen en zeggen dat ze onbezwaard mocht gaan vliegen als ze haar gezin een dag of twee vleesloos aan tafel zou krijgen. Maar ik hoop voor haar, voor mezelf en voor iedereen dat we ooit allemaal vanuit een overtuiging beter voor deze wereld zullen zorgen. Dat we niet meer alleen maar bezig zijn met economische groei, maar met onze eigen groei. Zoals die gekke cowboy in Amerika, die van op een winst beluste dierenbeul veranderd was in een zachtaardige wijze aandoenlijke bejaarde man. Mijn motto voor 2008: begin bij jezelf, want het is nooit te laat.

Karen van Holst Pellekaan


Column van Karen van Holst Pellekaan - 8 november 2006


"Wat ik allemaal niet gezegd heb in 'Rondom 10' en wel in m'n bed heb liggen bedenken
"

Ik werd gevraagd voor ‘Rondom 10’, want de editie van 21 oktober ging over dieren. Een dilemma, want ik was met opnames voor een nieuwe tv-serie bezig, ook het hele weekend, maar een live dierendebat kon ik toch met goed fatsoen niet laten lopen. Dus heel snel alles weer even op een rijtje gezet, standpunten bondig geformuleerd, one-liners opgeschreven, zelfs een citaat uit de bijbel (prediker 3:19, mensen en dieren hebben dezelfde adem en de mens is in niets verheven boven het dier) in de pocket. De schmink van overdag was er net af en ik zat alweer bij een grimeur in de studio van Rondom 10. Gelukkig kwam Marianne Thieme (de lijsttrekker van de Partij voor de Dieren, waar ik overigens lijstduwer van ben) ook. Ze was eigenlijk doodziek, maar had zichzelf opgepept met een doos anti-griepspul. Ze vond het een goed idee dat ik het voortouw zou nemen, vanuit de emotie zou spreken, dan zou zij me wel aanvullen met feiten en cijfers.

Nou word ik van een paar camera’s niet zenuwachtig, die zie ik al ruim 20 jaar regelmatig, maar live, dat is toch wel spannend. Geen zenuwen had ik maar meer iets van de opwinding van een gladiator die de arena in moet. Met iets frivools gaf ik een man de hand die net z’n portie pan-cake op z’n gezicht had, dat wil zeggen, het gedeelte van z’n gezicht dat niet door haren was bedekt. De man had een nadrukkelijke baard en z’n handdruk was nog nadrukkelijker, tegen het pijnlijke aan. Natuurlijk ging z’n naam, zoals dat gaat in dat soort situaties van m’n ene oor linea recta via m’n andere oor m’n hersenpan uit.

Marianne Thieme was laat en behoorlijk gestresst omdat ze net van de redactie te horen had gekregen dat ene Meneer Plantinga, een pluimvee arts, ook tot de sprekende gasten zou horen. Ze was ooit in een rechtzaak met hem verwikkeld geweest omdat hij haar voor ‘terrorist’ uitgemaakt had. Marianne kenschetste hem kortweg als ‘dieronvriendelijke gek’. De zaak heeft ze overigens gewonnen en Plantinga, de ‘gek’, heeft een boete van veertigduizend euro moeten betalen.

Rondom 10 begint om tien over negen. Vlak voordat we de ether ingingen, vroeg ik op fluistertoon aan een van de redactieleden, die nog even langskwam, wie toch Meneer Plantinga was. Hij bleek naast me te zitten, de man met de nadrukkelijke baard, op aanraak-afstand.

Blij keek hij mijn kant uit en vertelde gretig dat hij een grote fan van ‘Loenatik’ is. Hardop vroeg hij vervolgens aan de presentator waarom Dr. Doolittle uit bovengenoemde serie niet aanwezig was, dat is toch de dierenvriend. Ik heb Meneer Plantinga uitgelegd dat Dr. Doolittle een personage uit een tv serie is, in het echt een acteur die niet veel met dieren op heeft en dat ik in de serie een mannengek speel, maar in het echt veel van dieren hou. Hij keek me wat glazig aan.

Het debat was pittig. Alle acht deelnemers wilden hun zegje doen, de standpunten liepen zover uit een als de afstand tussen de zon en de maan. Van de CDA’er Henk Jan Ormel wist ik wat ik verwachten kon, ik ben het niet met hem eens, maar als doorgewinterd politicus had hij z’n argumenten paraat en wist hij aanvallen te pareren. Maar toen onze bebaarde pluimvee arts aan de beurt kwam, was ik verbijsterd. Hij maakte de dierenvrienden in het gezelschap uit voor ‘lijders aan het teddybeersyndroom’ en op de vraag van de presentator wat hij daarmee bedoelde, begon hij in totaal onsamenhangende bewoordingen te praten over een baby die van een teddybeer houdt, vervolgens opgroeit en van een hondje houdt en daarna alle gevoel voor proporties kwijtraakt en terroristische handelingen gaat plegen omdat hij zich boos maakt over het leed van varkens, kippen en nertsen, dieren die volgens hem toch niks voelen en er alleen maar zijn om ons te dienen en onze magen te vullen. Tegen de veganist in het gezelschap begon hij te roepen dat de vleesloze jongen dan zeker wel een lepmaag, een boekmaag en nog een paar herkauwersmagen moest hebben, want wij mensen zijn toch immers al miljoenen jaren vleeseters. De dappere jongen pareerde met ‘dan woont u zeker nog in een grot’. En weer gooide hij z’n ‘teddybeersyndroom’ uit de losse pols in de ring. Toen Marianne Thieme de dieronvriendelijke baardman vroeg wat hij er als pluimveearts van vindt dat miljoenen kippen in legbatterijen leven op een oppervlakte ter grootte van een A-viertje, antwoordde de man zonder blikken of blozen dat scharreleieren slecht zijn voor de volksgezondheid omdat er dioxine inzit. Dus is het beter om kippen binnen te houden.

Een sterker staaltje van de werkelijkheid omdraaien heb ik zelden gehoord. Kippen zouden moeten lijden omdat wij de wereld vervuilen?

Ik was te stupefait om de man van repliek te dienen, er gebeurde nog veel meer in de arena en de vijftig minuten vlogen om. Bovendien zat pluimveebaardmans te dicht in m’n aura. Had hij maar aan de andere kant van de ring gezeten.
Toen ik ’s avonds in m’n bed de uitzending naspeelde, zat Meneer Plantinga wel tegenover me. Ik vroeg hem wat in godsnaam zijn belang was, waarom hij deze avond gekomen was. En bij de derde keer ‘teddybeersyndroom’ zei ik tegen hem dat het debat niet over speelgoedbeesten ging, maar over levende wezens met gevoel en bewustzijn. Dat we aan het debatteren zijn omdat ‘de kwestie dieren’ leeft bij het publiek, omdat we in dit land (en in de rest van de wereld) toe zijn aan een bewustzijnsverandering en het vormen van een nieuwe moraal ten aanzien van dieren. Vlak voordat de slaap me overmande, wierp ik hem nog toe dat hij zelf in de fuik van de economie verstrikt zit en z’n geld verdiend heeft over de ruggen van miljarden bio-industrie kippen heen.

Ach, misschien was het maar beter dat Meneer Plantinga tijdens de uitzending door niemand van het gezelschap echt aangepakt werd en in z’n eigen teddybeersyndroom bleef steken. De vijfhonderdduizend kijkers hebben hem daardoor zonder twijfel niet serieus genomen.

Karen van Holst Pellekaan



Column van Karen van Holst Pellekaan - 29 augustus 2006


"M'n eerste president"

Bij zaterdag 19 augustus stond in m’n agenda: ‘Als Bep naar Christelijke Jongerendag voor Varkens in Nood’.
Ik had geen idee wat ik daarbij moest verwachten. Gewapend met m’n tas met ‘Bepspullen’ reed ik naar een groot terrein bij Boxtel. Het hol van de leeuw, dacht ik bij mezelf, een hevige concentratie van bio-industrieleed daar in Brabant. Ik had m’n auto nauwelijks geparkeerd of ik werd al herkend als BN’er door een stel Godsvruchtige jongeren, die in elke hand een krat bier droegen en op mijn wat verwonderde blik meteen nogal defensief reageerden met: ‘Wij Christelijken houden van hele heftige house en hardrock, hoor!’ Daar was ik helemaal niet bang voor. Ik vroeg me alleen af op wat voor manier ze van varkens, kippen en koeien zouden houden. Vrolijk in de wei of voor veel te weinig geld op hun bord of tussen een broodje?

Het tentje van Varkens in Nood, waar onze levensechte dode zeug tentoongesteld lag en de monitor met niets verhullende beelden uit de bio-industrie stond, lag ingeklemd tussen een stand van CDA jongeren en een Beenham kraam. De moed zonk me lichtelijk in de schoenen terwijl ik me in een hoekje van de tent ging verkleden. Maar eenmaal getransformeerd in het vrolijke personage Bep Brul, die voor niks of niemand schroom heeft, stortte ik me op de eerste beenhambroodjes etende voorbijgangers. Zou het de bedoeling van God geweest zijn om miljoenen varkens, kippen en koeien in hokken te stoppen, al dat mooie leven tot dingen te degraderen en er mee om te gaan alsof Hij ze nooit met pijnsensoren uitgerust heeft?
Nee natuurlijk niet, krijg ik als antwoord. En een nieuwe hap ham gaat naar binnen. Maar de bio-industrie is wel beter voor mensen, anders zouden al die dieren maar rond lopen en ziektes verspreiden. Zucht.

Ze willen met me op de foto, maar ik laat ze eerst plechtig beloven in elk geval na te denken over het dierenleed dat achter het broodje ham zit, vraag ze hun geweten (waar ze toch rijkelijk mee bedeeld zouden moeten zijn) te laten spreken. Als Bep kan ik dat met een grote glimlach vragen. Naast ons begint een van het Christendom naar de Islam overgestapte Moslima te praten over de grote en de kleine Tjihad. In elk geval heeft die switch een varkensvlees eetster minder opgeleverd. De politieke jongeren aan de andere kant roepen hun geloofsgenoten op om op het CDA te stemmen en ik bid dat Minister Veerman op 22 november definitief het politieke toneel zal verlaten. Zal ik ‘m stiekem smeren, denk ik bij mezelf, wat doe ik hier?

Maar dan breekt opeens de hemel open en komt er een stoet cameramensen en bodyguards het terrein op. Balkenende, gonst het overal. Dit is m’n kans, denk ik en ik geeft m’n idealistische collega’s van Varkens in Nood de opdracht om me, gewapend met fototoestel, te volgen. Onze Minister President, met studentikoze bril op z’n neus, staat een reporter te woord. Ik knipoog naar een ‘beschermer’ met oortje en borstomvang van een klerenkast en breek door de fotograven en cameramensen heen.

‘Nou heb ik toch al 200 mannen gehad, maar jij bent m’n eerste president’, roep ik in z’n oor. Balkenende is overdonderd. Ik druk een natte zoen op de flyer van Varkens in Nood, voorzien van een erg treurig varken, en duw die in z’n trillende handen. Die mag hij houden, zeg ik met een grote grijns, en als hij wil mag hij mij erbij hebben. Daar bedankt onze bewindsman nummer 1 beleefd voor. Z’n bril is beslagen. De fototoestellen klikken en het cordon sluit zich weer. Bep staat in elk geval met Balkenende op de foto. Ik hoop dat JP de tekst op de flyer zal lezen en z’n Christelijke hart zal laten spreken. Hij heeft de macht om werkelijk iets te veranderen aan de omstandigheden waaronder onze productiedieren moeten leven.

Karen van Holst Pellekaan



Column van Karen van Holst Pellekaan - 4 juli 2006

Ambassadrice van Varkens in Nood


Ik hou mijn hele leven al veel van dieren, maar die liefde heb ik tot voor kort nogal passief beleden. Donaties aan verschillende liefdadigheidsinstellingen automatisch van mijn giro af laten schrijven, was tot enkele jaren geleden voldoende om mijn geweten te sussen. Wat minder vlees eten werkte tot die tijd ook nog. Misschien waren het de beelden van de ruimingentijdens de MKZ-crisis, of de foto’s van mishandelde dieren in de foldertjes die ik doorgaans ongeopend weggooide maar nu toch eens inkeek, of het biggetje dat tevreden in mijn armen lag tijdens televisie-opnamen... Hoe dan ook: iets deed mijn passiviteit omslaan in een roep om actie. Om te beginnen werd ik vegetariër. Ik spaar er niet alleen dierenleed en levens mee, mijn gezondheid vaart er ook wel bij: ik ben veel fitter en slanker.

Ik ben schrijver, dus bedacht ik om een kinderboekje te schrijven als aanklacht tegen de bio-industrie. ‘Scharreltje’ bracht me in contact met Varkens in Nood, een prima organisatie, ooit door schrijvers opgericht. Van het één kwam het ander. Onlangs volgde ik Jan Terlouw als ambassadeur open nu sta ik op m’n vrije zaterdag verkleed als Bep Brul uit ‘Loenatik’ vegetarische hamburgers uit te delen op een druk punt in een grote stad. Ik spreek de mensen aan, laat ze op een monitor beelden zien uit de bio-industrie en geef (bij voorkeur vleeseters) een gratis broodje ‘hamburger’ van de barbecue. De meesten zijn verbaasd als ik ze na een (heerlijke) hap vertel dat het ‘vlees-zonder-dieren’ is. Ik zie de gezichten van nietsvermoedende winkelende mensen, die naar de monitor kijken waarop staarten van biggetjes zonder verdoving afgeknipt of gebrand worden, balletjes er uit worden gewipt, tandenworden getrokken en daarna als een stuk vuil op een hoop bij de andere slachtoffers gegooid. Sommige toeschouwers worden lacherig van het ongemak of staren in ongeloof naar de beelden.

Wat me opvalt is dat zo weinig mensen beseffen hoe het er aan toegaat in de bio-industrie. Beelden van mestkuikens die letterlijk door een grote ‘stofzuiger’ opgezogen worden en op een lopende band worden geslingerd, varkens die zonder eten en drinken in veewagens worden vervoerd, als ze pech hebben midden in de zomer naar Italië of Spanje. Het komt aan bij de meeste mensen, maar toch weet ik zeker dat velen diezelfde avond weer lekker aan een karbonaatje knagen of een plak ham bij de uitsmijter bestellen. Op de één of andere manier willen de hersenen of het hart de link tussen de beelden van het leed en het goedkope vlees in de supermarkt en op het bord niet maken. En de enige manier voor de consument om werkelijk iets te doen, is toch echt dat goedkope stuk vlees nietkopen.

Een totale boycot van dierenleedvlees is de enige manier om het te stoppen. Vlees is overgewaardeerd en achterhaald voedsel. We kunnen met veel minder of zonder. Er komt steeds meer resultaat uit onderzoek: vegetariërs krijgen bijvoorbeeldminder vaak kanker. Zoals roken ooit gemeengoed was en het besef nog niet bestond dat dit schadelijk voor de gezondheid is, zo zal er hopelijk snel een mentaliteitsverandering ten aanzien van vleesconsumptie komen. De mens, het milieu en niet in de laatste plaats de (productie)dieren zullen er wel bij varen.

Ik wil als ambassadrice m’n steentje aan deze noodzakelijke mentaliteitsverandering bijdragen. Dat zal ik niet alleen doen door middel van straatacties. Ik ga ook een twee uur durend themaprogramma voor Villa Achterwerk van de VPRO maken. Over onze omgang met dieren. Daarnaast ga ik op scholen uit ‘Scharreltje’ voorlezen en laat ik de kinderen aan de hand van een powerpointpresentatie zien hoe leuk het varken eigenlijk is, dat aardige intelligente dier waarvan er alleen al in Nederland ruim 10 miljoen verborgen miserabele levens lijden. Ik hoop de tijd mee te zullen maken dat we ze weer wroetend en onderzoekend door het weiland zien lopen.

Karen van Holst Pellekaan
 
 
CMS by WebGenerator