In Nederland leven ieder jaar ruim 20 miljoen
varkens. In de vee-industrie draait alles om
efficiency en zo goedkoop mogelijk produceren.
Het varken is hiervan de dupe en wordt door o.a. 
ingrepen als staart knippen en castratie aangepast
aan de huisvesting en de wensen van de markt. 
Tegen dit trieste lot komt Varkens in Nood in actie.  
Campagnes > Sterfte op de boerderij

Massale sterfte van varkens op de boerderij

Miljoenen varkens komen vroegtijdig aan hun einde


 
In Nederland worden per jaar ruim 30 miljoen biggen geboren. Van die miljoenen biggen sterven er jaarlijks zo’n 3 miljoen in de eerste weken van hun leven. Ruim 2 miljoen biggen worden doodgeboren. Naast deze massale biggensterfte laten nog eens 500 duizend vleesvarkens en 60 duizend zeugen het leven op de boerderij. Dat blijkt uit cijfers van destructiebedrijf Rendac, dat kadavers ophaalt bij boerderijen, en Agrovision, de belangrijkste leverancier van boekhoudsystemen voor de agrarische sector.

Deze onvoorstelbaar grote ‘uitval’, zoals dit in de sector wordt genoemd, is een direct gevolg van de wijze waarop in Nederland wordt omgegaan met productiedieren. ‘We wisten dat de leefomstandigheden van varkens op de boerderij verre van ideaal zijn, maar dat zo veel dieren vroegtijdig sterven, sloeg ook bij ons in als een bom’, aldus Hans Baaij, directeur van Stichting Varkens in Nood.
 
‘Kennelijk realiseert niemand zich dat miljoenen dieren op de boerderij creperen en zonder tussenkomst van een veearts om het leven komen’, stelt Baaij.
foto: Rogier ten Hacken
Binnenkort publiceert Rendac de cijfers van 2008. ‘Het aantal dode dieren is in de afgelopen jaren alsmaar gestegen. Wij vrezen dat de nieuwste cijfers opnieuw hoger zullen uitvallen.’
 
De biggensterfte heeft te maken met het alsmaar stijgende aantal biggen dat een zeug in de vee-industrie ter wereld brengt. Waar een everzwijn in de natuur per jaar vijf biggen werpt, is een zeug in de vee-industrie zo doorgefokt dat zij inmiddels bijna dertig biggen per jaar werpt. De sector wil dit verder opvoeren tot veertig biggen per jaar.
foto: Rogier ten Hacken
De zeugen kunnen niet goed voor hun kroost zorgen en hebben vaak te weinig melk om al hun biggen te voeden. Daardoor blijven biggen achter in hun groei en zijn ze zwak.
 
Al enkele dagen na de geboorte moeten de biggen pijnlijke ingrepen ondergaan. Zo wordt hun staart gecoupeerd, hun tandjes gevijld en de mannetjes worden gecastreerd. Met het toedienen van antibiotica wordt geprobeerd infecties tegen te gaan, maar desondanks worden miljoenen biggen niet ouder dan een paar weken. Als de overgebleven biggen na drie weken van hun moeder worden gescheiden, zijn ze vaak nog zwak en vatbaar voor ziekten.
 
De sterfte onder oudere dieren is wellicht nog tragischer. Waar biggen over het algemeen een relatief korte doodstrijd voeren, lijden oudere dieren soms wel dagenlang voordat ze sterven. Omdat een veearts te duur is, worden doodzieke dieren simpelweg ‘apart gelegd’, waarna ze aan hun lot worden overgelaten.
 
De massale sterfte van biggen en varkens is een van de meest tragische geheimen van de varkenshouderij. ‘Het is een schande dat we de dood van miljoenen dieren accepteren als een onvermijdelijke bijkomstigheid van de vee-industrie’, stelt Hans Baaij. ‘De dieren worden gezien als wegwerpproducten. Men heeft alleen oog voor het aantal dieren dat per saldo overblijft. Consumenten moeten zich realiseren dat ze door goedkoop varkensvlees te kopen, dit soort praktijken in stand houden.’


Reacties op berichtgeving vroegtijdige dood miljoenen varkens


De nieuwe campagne van Varkens in Nood, waarin aandacht wordt gevraagd voor de dood van miljoenen varkens op de boerderij, zal bij weinigen onopgemerkt zijn gebleven. Het nieuws heeft een storm aan reacties teweeggebracht. Naast vele steunbetuigingen hebben wij vooral van de kant van de sector heel wat kritiek te verduren gekregen. Graag zouden wij willen ingaan op aantal veelgehoorde reacties.
 
"Met jullie campagne schilderen jullie varkensboeren af als dierenbeulen. Geen varkensboer vindt het leuk als een dier sterft."
Het is geenszins het doel van Varkens in Nood om een of meerdere boeren aan de schandpaal te nagelen. Met deze campagne laten wij slechts een van de vele kwalijke gevolgen van de goedkope massaproductie zien: de vroegtijdige dood van miljoenen varkens. De consument moet weten dat een goedkoop hamlapje in de supermarkt ten koste gaat van miljoenen dieren op de boerderij. Juist omdat een afgemest varken een boer zo weinig geld oplevert, wordt de biggenproductie alsmaar opgevoerd. De grote sterfte van biggen is een tragisch gevolg van de dumpprijzen van varkensvlees in de supermarkten.
 
"De biggensterfte is de laatste jaren juist afgenomen. Er worden meer biggen geboren en er gaan meer varkens naar de slacht."
Er worden inderdaad elk jaar meer biggen geboren en elk jaar worden meer biggen vetgemest om als vleesvarkens in het slachthuis te eindigen. De biggensterfte neemt echter ook elk jaar percentueel gezien toe, zo blijkt uit cijfers van Agrovision, de belangrijkste leverancier van boekhoudsystemen voor de agrarische sector. Zo stierf in 2003 13,8 procent van alle levend geboren biggen. In 2008 was dat 14,8 procent. Een zeug kan op dit moment al zo’n dertig biggen per jaar werpen. Fokbedrijf Topigs wil dat aantal opvoeren naar maar liefst veertig biggen per jaar.
 
"Ook in de biologische varkenshouderij sterven veel biggen."
Biologische varkenshouders kampen eveneens met een hoge biggensterfte. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat zij werken met precies dezelfde doorgefokte zeugen als de boeren in de gangbare varkenshouderij. Als een zeug zo’n veertien biggen per keer werpt, is er een verhoogd risico dat ze enkele van haar jongen ‘doodligt’. Biologische varkenshouders erkennen dit probleem en hebben Topigs gevraagd om zeugen te fokken die minder biggen werpen, zie een de reportage van Ophetland.tv. Daarnaast worden zeugen in de gangbare varkenshouderij klem gezet in een zogenaamd kraamhok, waarin ze zeer beperkte bewegingsvrijheid hebben en waardoor de kans kleiner is dat ze op een big gaan liggen. Met een natuurlijke of welzijnsvriendelijke situatie voor de zeugen heeft dit niets van doen.
 
"Een biggensterfte van 15 procent is helemaal niet zo groot. In de natuur werpt een zwijn ook meerdere jongen, waarvan er vaak enkele omkomen."
Een vergelijking met de natuur gaat om meerdere redenen niet op. In de natuur sterven dieren door uiteenlopende oorzaken, waaronder voedselschaarste, natuurlijke vijanden en ziekten. In de intensieve veehouderij spelen die factoren veel minder (of helemaal niet) een rol. Bovendien krijgen biggen preventief antibiotica toegediend. Zonder die antibiotica zou de biggensterfte nog veel groter zijn. Aan de varkens en hun leefomstandigheden in de veehouderij is niets natuurlijk. In de natuur ligt de verantwoordelijkheid voor het overleven van biggen bovendien bij de zeug. In de veehouderij ligt die verantwoordelijkheid bij de boer. En indirect bij de supermarkt en de consument.
 


Minister Verburg erkent toename biggensterfte

22 juni 2009

 
Minister Verburg erkent dat jaarlijks miljoenen varkens vroegtijdig sterven op de boerderij. “De huidige sterftecijfers in de varkenshouderij betreffen grote aantallen dieren en zijn hoog”, stelt de minister van LNV maandag in een brief aan de Tweede Kamer. Varkens in Nood bracht op 10 juni het nieuws naar buiten dat jaarlijks 3 miljoen biggen, 500 duizend vleesvarkens en 60 duizend zeugen het leven laten op de boerderij. De sterfte van biggen neemt bovendien elk jaar toe, zo erkent ook de minister: “De conclusie is dat gemiddeld genomen een toename van het aantal geboren biggen per worp de afgelopen periode gepaard is gegaan met een stijging van het sterftepercentage.”
 
Verburg spreekt de sector aan op zijn verantwoordelijkheid om het sterftepercentage omlaag te brengen. “Het verminderen van de sterfte in de varkenshouderij is en blijft belangrijk.” Het alsmaar opvoeren van de biggenproductie wordt door Verburg afgekeurd. Volgens de minister “is het uitgangspunt dat de zeugenhouderij in balans moet zijn en dat alle biggen door de zeug gezond moeten kunnen worden grootgebracht. Methoden als moederloze opfok of het extra vroeg spenen van een deel van de biggen worden in dit fokkerijbeleid niet als duurzaam aangemerkt.”
 
Varkens in Nood is blij dat de minister de ernst van de situatie inziet en hoopt dat zij het streven van de sector naar een steeds hogere biggenproductie een halt toe zal roepen.
 
Volgens de minister heeft Varkens in Nood de suggestie gewekt dat “varkenshouders lak hebben aan en gevoelloos zijn voor zieke en dode dieren”. Varkens in Nood begrijpt echter heel goed dat veel varkenshouders zich in een lastige positie bevinden. De lage opbrengsten per varken zorgen ervoor dat varkenshouders zich genoodzaakt zien om steeds meer biggen te produceren. Zolang supermarkten industrievlees verkopen tegen dumpprijzen, trekt zowel de veehouder als het productiedier aan het kortste eind.
 
Verburg verwijst in haar brief eveneens naar de levende biggen die een inwoner van Brabant onlangs aantrof in een kadaverton langs de weg. “Dit is mens- en dieronwaardig en mag absoluut niet gebeuren”, stelt ze. De minister heeft aan destructiedienst Rendac gevraagd om extra alert te zijn op dergelijke misstanden. “Daarnaast doe ik een appèl op alle varkenshouders en de hele sector om met maximale zorgvuldigheid met hun dieren om te gaan en er alles aan te doen om deze ongewenste situaties te voorkomen.”
 
CMS by WebGenerator