De vee-industrie

De vee-industrie breidt zich alsmaar uit om zo veel en zo goedkoop mogelijk vlees te produceren. De wereldwijde veestapel is in de afgelopen eeuw sterk toegenomen en zal in de komende 50 jaar nog eens verdubbelen, volgens voorspellingen van de Verenigde Naties. Dit komt hoofdzakelijk door meer welvaart in landen als China en India waardoor de vleesconsumptie stijgt. Het aantal opgesloten dieren neemt daarbij sterk toe terwijl het aantal dieren in het wild steeds verder afneemt. De uitbreiding van de (intensieve) veehouderij gaat ten koste van het welzijn van dieren, onze natuur en een eerlijke verdeling van voedsel.

Dierenwelzijn

In de vee-industrie worden dieren onder erbarmelijke omstandigheden gehouden. Dit heeft grote invloed op hun welzijn en gezondheid. Zo heeft een groot deel van de varkens longaandoeningen door de slechte lucht vol ammoniak, maagzweren door het krachtvoer en stress, verwonden varkens elkaar door stress en verveling, worden de biggen veel te vroeg weggehaald bij de moeder waardoor ze speendiarree krijgen en psychisch gestoord raken, hebben de moedervarkens doorligplekken, zijn veel varkens zo doorgefokt dat ze pijnlijke botvergroeiingen hebben, enzovoort. Om te voorkomen dat varkens elkaar verwonden worden de staartjes afgebrand en hoektanden geslepen. 

Natuur en milieu

De dieren in de veehouderij eten massa’s aan veevoer. Het Centraal Planbureau waarschuwt dat de productie van steeds meer veevoer funest is voor de natuur, waaronder met name de oerwouden in Zuid Amerika die plaats moeten maken voor de productie van veevoer. In 2050 zal er praktisch geen natuur meer over zijn. 

Watergebruik is een ander probleem. Overal ter wereld raken bronnen uitgeput door grootschalig gebruik ten behoeve van de veehouderij. Ook draagt de veehouderij bij aan mestoverschotten, verstoring van de fosfaat- en nitraatkringloop en verzuring en vervuiling van bodem en water.

Klimaatverandering

Een ander groot nadeel van de vee-industrie zijn de gevolgen voor ons klimaat. Grazers produceren grote hoeveelheden methaangas, een gas dat 20 maal sterker is dan koolzuurgas (CO2). De productie van rundvlees en zuivel draagt aanzienlijk bij aan klimaatverandering. 

Ook kip en varkensvlees zorgt voor beduidend meer broeikasgassen dan gelijke hoeveelheden plantaardig voedsel. Dat komt doordat het veevoer dat deze dieren eten grotendeels bestaat uit soja. Voor de teelt van deze soja worden grote stukken oerwoud omgehakt en verbrand. Hierbij komen grote hoeveelheden CO2 vrij. Bovendien raakt het oerwoud zijn functie als longen van de aarde kwijt; de enorme hoeveelheid biomassa die het oerwoud bezit, zorgt voor omzetting van CO2 in zuurstof en die functie verdwijnt als het landbouwgrond wordt. Alles bij elkaar opgeteld, draagt de productie van vlees voor bijna 15% bij aan de klimaatverandering, en dat is meer dan al het verkeer bij elkaar. De biologische veehouderij doet het op dit gebied wat beter dan de gangbare, omdat er minder veevoer uit Zuid-Amerika wordt gebruikt. Verreweg de duurzaamste optie is plantaardig voedsel. Ook eieren scoren op het gebied van klimaatverandering redelijk goed, maar vaak weer slechter op dierenwelzijn.

Wereldvoedselproblematiek

Door enkele wetenschappers wordt geopperd dat verdere intensivering van de vee-industrie noodzakelijk is om de wereldvoedselproblematiek op te lossen. Met meer voedsel zouden meer mensen gevoed worden. Deze redenering slaat de plank echter finaal mis: het tegenovergestelde is waar. Om 1 kilo vlees te eten, is namelijk 7 kilo aan plantaardig voedsel nodig. Met 7 kilo plantaardig voedsel kunnen we veel meer mensen voeden, dan met 1 kilo vlees. 

Om de wereldvoedselproblematiek aan te pakken, dienen we over te stappen op een meer plantaardig dieet of alternatieven zoals kweekvlees.

Volksgezondheid

De vee-industrie gebruikt zeer veel antibiotica. Hierdoor ontstaan resistente bacteriën. Zo bevat bijna 100% van alle gangbare vleeskippen de gevaarlijke ESBL bacterie en zijn meer dan 90% van de kalfmesterijen besmet met de MRSA bacterie, in de volksmond ook wel de ziekenhuisbacterie genoemd. Deze bacteriën bevinden zich niet alleen op de dieren en het vlees, maar besmetten via de mest ook weilanden en het oppervlaktewater. De Q-koorts epidemie is een voorbeeld van hoe het mis kan gaan. Maar resistente bacteriën kunnen via de mest ook op plantaardig voedsel terecht komen, denk aan de Ehec affaire. Bovendien ontstaan er steeds weer nieuwe resistente bacteriën en daardoor het risico van een pandemie. Ook hier scoort de biologische veehouderij aanmerkelijk beter; er worden immers veel minder antibiotica gebruikt. 

Verder worden er in het westen meer dierlijke eiwitten gegeten dan goed is voor de gezondheid. In Nederland is dat misschien wel een factor twee, waarbij sommige mensen zelfs wel 4 tot 5 keer te veel vlees eten. De Tilburgse hoogleraar gezondheidseconomie Peter Kooreman wil dat het eten van vlees ontmoedigd wordt door er een extra belasting op te heffen. 

Is biologisch beter?

In de biologische veehouderij is het dierenwelzijn een stuk beter. De dieren kunnen naar buiten, krijgen stro en hebben (veel) meer ruimte. Ze kunnen hierdoor meer natuurlijk gedrag vertonen. Toch is de biologische veehouderij nog verre van perfect, zo ligt de biggensterfte er rond de 20% en hebben biologische koeien – door minder antibioticagebruik - vaak uierontsteking. Voor sommige mensen kan een bezoekje aan de biologische veehouderij dan ook teleurstellend uitpakken. 

In de biologische veehouderij wordt er geen gebruik gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen, kunstmest of preventieve antibiotica. Dit is gunstig voor het milieu. Ook krijgen de dieren meer ruimte en een uitloop naar buiten. Vanuit milieuoogpunt is dit niet positief;  extra ruimte gaat namelijk ten koste van de natuur (in Nederland). Bovendien stoten dieren broeikasgassen uit. Deze broeikasgassen komen – bij dieren die buiten lopen - direct in de natuur terecht. 

Wel wordt er voor het veevoer van biologische dieren aanzienlijk minder oerwoud gekapt. Maar zowel biologisch als gangbaar vlees zijn dus belastend voor het milieu. De enige oplossing om ruimte (en dus natuur) te sparen is geen of minder dierlijke eiwitten te eten. Een vleesvervanger als Quorn heeft bijvoorbeeld per kilo 1000 maal minder ruimte nodig dan Argentijns rundvlees.

Conclusie

Varkens in Nood heeft onderzoek laten doen naar de impact van vlees, zuivel, eieren en vleesvervangers op het milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn. De resultaten zijn op een rij gezet in SuperWijzer, en de conclusie is duidelijk:

  1. Het beste scoort plantaardig voedsel en wel op alle terreinen.
  2. Vervolgens eieren; waarbij Rondeel en Biologisch het beste scoren.
  3. Daarna komt kaas.
  4. Daarna vlees, met konijn en kalf als slechtste en vlees van uitgemolken melkkoeien (gehakt en hamburgers) als beste binnen het segment vlees.

Het standpunt van Dier&Recht/Varkens in Nood is dan ook eenvoudig. Eet zo weinig mogelijk vlees, en eet bij voorkeur diervriendelijke eieren. Eet eventueel (met mate) kaas of vlees van melkkoeien. In alle gevallen heeft biologisch (dierenwelzijn, milieu en klimaat bij elkaar opgeteld) de voorkeur. 

Accijns op dierlijke eiwitten zijn een doeltreffend middel om de consumptie terug te dringen. De overheid dient innovatieve projecten voor het vervangen van vlees met subsidies te steunen, enerzijds omdat dit goed is voor dierenwelzijn, het klimaat, natuur en milieu en de volksgezondheid, anderzijds omdat Nederland hiermee voorop kan lopen in de ontwikkeling van een nieuwe duurzame landbouw.

Varkensinnood.nl
ANBI logo

© Copyright 2017 Varkens in Nood